Tweede Valthermond | 394 | akkerland
Aan de westzijde van het dorpje Tweede Valthermond liggen een aantal -mogelijke- pingoruïnes. Op vrijdag 17 maart 2017 is er met een Atheneum vijf klas van het RSG te Ter Apel veldonderzoek gedaan naar een van deze locaties, namelijk locatie 394. Het terrein laat een vrijwel ronde depressie in het landschap zien, en wordt grotendeels omgeven door grasland en aan de zuidzijde grenst het aan een bosje.
De leerlingen en hun docenten werd verteld waarom we dit onderzoek doen en wat het Pingo Programma behelst. Daarna gingen ze, onder leiding van de twee docenten samen met Anja Verbers en Bart Koops, in groepjes aan de slag. Er werd gewerkt langs twee lijnen, de zgn. raaien, waarbij om de 25 meter geboord werd. Deze twee raaien zijn niet willekeurig gekozen, maar zijn bepaald aan de hand van de hoogte kaart. Door de boringen goed te beschrijven en hun plek in het landschap goed te bepalen, geeft dat inzicht in het type depressie bij het uitwerken van de gegevens. Het gaat daarbij om informatie over de samenstelling, de kleur en welke veranderingen en/of bijzonderheden er werden waargenomen i.c.m. de diepte waar de verandering plaatsvond. De boorformulieren zijn naderhand uitgewerkt tot profielen, zie hieronder.
De hoogtekaart geeft de depressie in het landschap weer, de eigenlijke depressie is vermoedelijk ooit dieper geweest dan dat nu te zien is op de afbeelding, aangezien er grond is opgebracht. Ook is het noordwestelijke deel van de depressie waarschijnlijk door de weg als het ware verdwenen. De depressie wordt benadrukt door de aanwezigheid van enkele sloten.
Het leem dat we aantroffen in de depressie kan verklaard worden vanuit de aanwezigheid van een sloot. Deze is later gedempt. Op de kaart uit 1915 ligt de locatie net noord van het woord LIP(PINKHAMMEN ). Het betrof ook toen al een akker die grensde aan het bosje. Op de eerste kadastrale kaart uit 1832 ligt de locatie nog in een onontgonnen veenlandschap (roze). De sloot die nu de oostelijke perceelsgrens vormt was in die tijd een smal beekdal (groen) en het huidige perceel was onderdeel van een lange strook veen die Valther-Landen werd genoemd en plaatselijk zelfs Lesterhak. De grond was in eigendom van de Marktgenoten van de Marke van Odoorn.
In 1905 is alle veen ontgonnen en is het landschap ingrijpend veranderd. De schaalvergroting gaat door en in 1975 zijn de percelen groot geworden, maar is er aan de zuidzijde een bosje verschenen; waarschijnlijk in het kader van de ruilverkaveling; een zogenaamd ruilverkavelingsbosje.
Het bosje lijkt aanvankelijk een recreatieve functie gehad te hebben, aangezien er een pad door aangelegd is. Later verdwijnt dit pad weer en komen er meer van dergelijke ruilverkavelingsbosjes in het gebied. Uit het veldonderzoek en de uitgewerkte profielen blijkt dat het hier om een uitblazingskom gaat.
Bij de meeste boringen zat onder een humusrijke deklaag of ploegzool van zo’n 20 tot 40 centimeter dikte (bruin), schoon dekzand (geel). Bijzonder was dat er in één boring leem werd gevonden (grijs). Dit heeft vermoedelijk te maken met een sloot of oude waterloop die door het gebied heen liep. Maar ook bij één boring was onder een dunne laag dekzand wat grover materiaal aanwezig (oranje) en wat mogelijk een oeverwalletje vertegenwoordigd.
Zie ook
Foto's
