Pingoruïnes


Van Pingo naar Pingoruïne

Zoals het woord al zegt is een pingoruïne een restant van een pingo, een ijslens die zich vormde aan het oppervlak in de laatste fase van de laatste ijstijd, het Weichselien, vanaf zo’n 15.000 jaar geleden. Het woord pingo is een Inuit (Eskimo) woord, en het betekent ‘heuvel die groeit’. Het geeft daarmee mogelijk een indicatie van snelheid van groeien, binnen enkele generaties moet zo’n ijslens zich hebben gevormd. Maar we weten ook uit dateringsonderzoeken dat pingo’s duizenden jaren oud kunnen zijn. In het gebied van de MacKenzie delta in Canada is daar onderzoek naar gedaan.

Ofschoon de ondergrond diep bevroren moet zijn geweest om pingo’s te kunnen vormen zijn niet alle pingo’s op een zelfde manier ontstaan. Er wordt uitgegaan van twee manieren onderscheiden, gebaseerd op hoe het water dat de groei veroorzaakt, wordt aangereikt. Het gaat dan open-systeem en gesloten-systeem pingo’s, deze  worden ook resp. hydraulische en hydrostatische pingo’s genoemd.

Bij de open systeem pingo’s wordt er dooiwater aangevoerd vanuit hoger gelegen gebieden. Het water stroomt van de helling naar beneden, naar plek van de zich vormende pingo. De pingo’s die hierdoor ontstaan komen verspreid voor en liggen vaak op de lagere delen van hellingen en in dalen. Naast Groenland komt dit type pingo ook voor in Alaska, Groenland, Spitsbergen en Siberië.

De gesloten systeem pingo’s  ontwikkelen zich in relatief vlakke gebieden, waar ook veel meren aanwezig zijn. De pingo’s vormen zich ook in deze ondiepe meren. Elk seizoen wordt water aangereikt vanuit poriënwater in de bodem. De met dooiwater verzadigde zandbodem veranderd in ijs, zodra de temperatuur in de winterperiode weer afneemt. De bevriezing vindt dan zowel plaats vanuit de kouder wordende luchttemperatuur, als vanuit de onderliggende permafrost. Het dooiwater wordt zo opgesloten, bevriest, zet uit en veroorzaakt opbolling in de er boven liggende bodem en vormt zo de pingo. Deze pingo’s komen met name voor in de MacKenzie Delta, in Noord-Canada.

Een pingo in de MacKenzie delta, Noord-Canada, met een hoogte van ongeveer 50m ( bron: Wikipedia)

De manier waarop de pingo’s in Nederland zich vormden tijdens het Weichselien wijkt mogelijk af van deze beide type processen. De Gans gaat uit van vorming van pingo’s die zich vormden in dalsystemen, al dan niet dichtgestoven met dekzand. Pingoruïnes zouden daarom in rijen voorkomen. Dit klopt echter maar ten dele. In het recente onderzoek in het kader van het Pingo Programma door Verbers en anderen, komt naar voren dat de locaties van pingo’s naast een factor als reliëf, ook kunnen samenhangen met de samenstelling van de ondergrond.

Wanneer een pingo zich vormt, groeit hij door totdat de mee opgetilde bodemlaag open barst en zonlicht bij de ijslens komt. Met name in de zomerperioden kan de ontdooide en opgetilde bodemlaag samen met het smeltwater van de ijslens een modderbrij vormen die langzaam langs de helling naar beneden zakte. Dit vorm uiteindelijk de randwal. De hoogtes van de pingo’s variëren sterk, en hangt ook samen met de doorsnede. Waarschijnlijk zijn ze tussen de 40 en 50 meter hoog geweest, en we vinden nu doorsneden van 75 tot 200 meter.

Na de ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden verdween de bevroren bodem en smolten de ijslenzen. Hierdoor bleven met smeltwater gevulde laagtes achter in het landschap. Hierin vormde zich een organisch sediment, gyttja. Vervolgens begon in het Holoceen het grondwater langzaam te stijgen, en kwam veenvorming opgang. Het veen groeide mee, zelfs tot boven de grondwaterspiegel, als hoogveen. Deze bolle veentjes kunnen nu een compleet gyttja en veenpakket hebben, vanaf 15.000 jaar geleden tot op heden. Hierin zit veel informatie, zoals pollenkorrels, opgeslagen, wat maakt dat deze locaties zo bijzonder en waardevol zijn.

Figuur 1. Ontstaan pingoruïnes (naar: Zagwijn et al. 1985; Hoek 1997, gewijzigd)

Randwallen

Pingoruïnes liggen nu vaak als kleine ronde watertjes is het landschap, De manier waarop de pingo’s in Nederland zich vormden tijdens het Weichselien wijkt mogelijk af van deze beide type processen. De Gans gaat uit van vorming van pingo’s die zich vormden in dalsystemen, al dan niet dichtgestoven met dekzand. Pingoruïnes zouden daarom in rijen voorkomen. Dit klopt echter maar ten dele. In het recente onderzoek in het kader van het Pingo Programma door Verbers en anderen, komt naar voren dat de locaties van pingo’s naast een factor als reliëf, ook kunnen samenhangen met de samenstelling van de ondergrond.

Wanneer een pingo zich vormt, groeit hij door totdat de mee opgetilde bodemlaag open barst en zonlicht bij de ijslens komt. Met name in de zomerperioden kan de ontdooide en opgetilde bodemlaag samen met het smeltwater van de ijslens een modderbrij vormen die langzaam langs de helling naar beneden zakte. Dit vorm uiteindelijk de randwal. De hoogtes van de pingo’s variëren sterk, en hangt ook samen met de doorsnede. Waarschijnlijk zijn ze tussen de 40 en 50 meter hoog geweest, en we vinden nu doorsneden van 75 tot 200 meter.

Na de ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden verdween de bevroren bodem en smolten de ijslenzen. Hierdoor bleven met smeltwater gevulde laagtes achter in het landschap. Hierin vormde zich een organisch sediment, gyttja. Vervolgens begon in het Holoceen het grondwater langzaam te stijgen, en kwam veenvorming opgang. Het veen groeide mee, zelfs tot boven de grondwaterspiegel, als hoogveen. Deze bolle veentjes kunnen nu een compleet gyttja en veenpakket hebben, vanaf 15.000 jaar geleden tot op heden. Hierin zit veel informatie, zoals pollenkorrels, opgeslagen, wat maakt dat deze locaties zo bijzonder en waardevol zijn.

Een pingo in de Mackenzie delta, Canada (Bron: E. Koster)

Grote diepte

Pingoruïnes kunnen wel tot 20m diep zijn! Daarmee onderscheiden ze zich ook van vennen en/of uitblazingskommen, die zijn gevormd doordat de wind het zand wegblies, tot op de natte ondergrond. Deze zijn doorgaans niet dieper zijn dan 2-2,5m, doordat de wind het dan verliest van het natte zand. De meeste pingoruïnes zijn echter zo’n 3 tot 8 m diep. Uitzonderingen in Drenthe zijn het Hijkermeer (nr. 154) met een diepte van 17m, het Esmeer (nr. 21) met een diepte van 12m  en het Mekelermeer (nr. 225), dat ook een diepte heeft van 12m. Het Mekelermeer is in 2015 benoemd als aardkundig monument, omdat er nog een gave veenvulling aanwezig is. Zowel het Esmeer als het Mekelermeer hebben een pakket van 6m veen en gyttja en 6m open water.

Hoe dieper de kom, hoe vroeger hij vernatte en hoe eerder er veen kon gaan groeien. Dat is bij diepe pingoruïnes dus vroeger dan bij ondiepe vennen, er is daardoor een dikker gyttja en-of veenpakket aanwezig en dat maakt de pingoruïnes extra waardevol.

Bijzondere Veenvullingen

De pingoruïnes en uitblazingskommen in de natuurgebieden worden vaak gekoesterd als waardevolle locaties, plekjes waar men de kamsalamander kan vinden, waar veenpluis groeit en zonnedauw etc. Het beheren van deze locaties bestaat vooral uit het open houden van de plek, het verwijderen van opslag en evt. het maaien, afhankelijk van de situatie ter plekke. Tot voor kort was het ook gebruikelijk om af en toe de boel weer openmaken als het openwater dreigt te verlanden, om zo wat openwater te houden. Dit gebeurt gelukkig bijna niet meer, want met het opengraven wordt ook het oorspronkelijke sediment, met alle archiefwaarde, sterk verstoord.

Het Galgwanderveen, Noord van Eext (nr. 1271 op de kaart) met direct er achter een grafheuvel (foto: Maarten Westmaas)

Naast het feit dat pingoruïnes en uitblazingskommen vaak mooie natuur plekjes zijn, hebben ze in het gunstigste geval ook nog een vrijwel gave veenvulling. Deze veenvullingen zijn onze ‘natuurlijke schatkamers’, ze vormen het archief waarin veel informatie is opgeslagen, zoals wat er in de loop van de tijd in de directe omgeving is veranderd met betrekking tot de vegetatie. Het veen geeft een klimaatsignaal en laat ook zien wanneer de mens in beeld kwam, wat hij verbouwde, etc.

Vondsten van pijlpunten etc. nabij pingoruïnes; de vondsten zijn gedaan door Bert Beute, Zeijen (foto: Anja Verbers)
Vuursteen vondsten met pijlpunten en schrapers etc. aan de rand van een pingoruïne (verzameling van Bert Beute, foto Anja Verbers).

Een gave veenvulling geeft aan de hand van o.a. pollenkorrels, zaden en blaadjes het verhaal weer van de afgelopen 13.000 jaar tot op heden. Op sommige plekken zijn ook archeologische vondsten gedaan en komen er grafheuvels voor direct naast de pingoruïne, zoals bij het Galgwanderveen.

Het is daarom belangrijk om met het beheer terughoudend te zijn, zodat zowel de waardevolle vullingen met daarin de natuurlijke archieven als de randwalzones met mogelijke menselijke sporen, niet verstoord worden.

Bovenstaand tijdschema geeft de perioden weer waarin de pingo’s zich vormden (Pleniglaciaal) en weer smolten (Bølling). Vanaf het moment dat ze gesmolten zijn, start de vulling met gyttja, waarin pollenkorrels uit de omgeving worden opgenomen. Ze vormen zo een belangrijk klimaat archief. Vanaf het Holoceen start de vorming van veen, wat op veel locaties vanaf 1850 weer gewonnen is t.b.v. turf.

Meer dan veen

Ook in recentere tijden zijn pingoruïnes belangrijke landschapselementen geweest, denk daarbij aan de karresporen uit de vroege middeleeuwen die tussen de pingoruïnes door moesten slingeren. Soms werden er mensen in geofferd, of in verborgen, zoals bij het meisje van Yde. Ook werden ze later gebruikt om boekweit op te verbouwen, dat levert nu nog steeds een zeer karakteristiek beeld op. En natuurlijk werd er veen werd er gestoken en gebaggerd en werden hiervoor soms tjaskers geplaatst om het waterpeil naar beneden te brengen. In recentere tijd zijn de locaties  ook vaak gebruikt als dumplocaties van afval en andere dingen.

Veel pingoruïnes, en soms ook de uitblazingskommen, hebben de meest mooie namen, waar je al veel uit kunt afleiden over wat er is gebeurd, of hoe de plek er uit zag, zoals het Vagevuur, Hemelriekje, Moespot en het Rommeltje etc. En hoeveel Drenten hebben er niet leren schaatsen of zwemmen? Ook werden er werden schapen in gewassen, vlas in gewaterd etc.

Vaak zijn het nu waardevolle plekken in natuurgebieden die worden beheerd vanuit een ecologisch standpunt van schonen, vernatten, plaggen, verarmen etc.. Maar er liggen ook tal van pingoruïnes in het agrarisch cultuurlandschap en deze zijn vaak bezand om de plek droger te maken, geëgaliseerd of gedraineerd. Ook zijn het dan vaak kleine bosje, waarbij meestal het bosje alleen het centrale deel van de pingoruïne is, want dit deel niet te nat voor agrarisch gebruik. Ook de uitblazingskommen liggen veelvuldig in het agrarisch cultuurlandschap en ook zij vormen gewoon onderdeel van de landbouwpercelen. Hierbij wordt vaak grond die vrijkomt bij de oogst weer terug in de laagtes gebracht. Zo kunnen ze langzaam ‘uit beeld’ raken, maar de kaart op deze site heeft de meeste locaties wel in beeld en op de hoogtekaart (AHN) zijn ze wel goed zichtbaar!

In het kader van het Pingo Programma, maar ook nu in het vervolg en het beleid van de provincie Drenthe, willen we juist aandacht vragen voor de unieke situatie van deze landschapselementen. We laten zo zien dat het elementen zijn met veel potentie op het gebied van aardkunde, archeologie, cultuurhistorie én natuur. Laten we zorgvuldig hiermee omgaan en ze behoeden voor verstoring en verdroging, waarbij hun archieffunctie verloren gaat!

Pingoruïne ‘Poel van Dien de Vrij’ of ‘het Blauwe Gat’ in Vledderveen, nr. 509, werd in de wintermaanden gebruikt om op te schaatsen (bron: Historische vereniging van Vledderveen).