Ees | 1981 | Buinerveld

Ees | 1981 | Buinerveld

Op het Buinerveld liggen meerdere -mogelijke- pingoruïnes. In het kader van de een module ‘landschapsgenese’ op het Van Hall Larenstein te Leeuwarden, is er met een enthoussaiste groep studenten van de studie Management van de Leefomgeving onderzoek gedaan naar een tweetal   -mogelijke- pingoruïnes.

Overzicht van de locatie op de pingokaart (bron: provincie Drenthe)

Nummer 1981 is een open ovalen depressie en wordt omgeven door bos. Het is eigendom van Staatsbosbeheer.

De pingoruïne vanaf bovenaf gezien.

Onderzoek

De studenten Jelani Maduro, Jort Faber, Anton Grol en Lieuwe van Leeuwen van de opleiding Toegepaste Aardrijkskunde aan het Van Hall Larenstein hebben samen met Anja Verbers en Bart Koops onderzoek gedaan naar deze locatie.

Er werd geboord langs één lijn, ook wel raai genoemd, om zo meer inzicht te krijgen in de samenstelling van de ondergrond. Het goed beschrijven van de afzonderlijke lagen die je ‘aanboort’ is erg belangrijk. Dit is nodig om een tot een profiel te kunnen komen, en dat geeft weer inzicht in het type depressie; bijvoorbeeld of het een pingoruïne betreft, of dat het uitblazingskom is.

Uit het onderzoek kwam naar boven dat de depressie, met zo’n 4,5 meter op het diepste punt, geen vlakke bodem heeft en is asymmetrisch qua vorm. Aan de rand van de laagte troffen we onder het dekzand keileem aan.

Daar waar de depressie echt begint, lijkt het keileem verdwenen. Mede hierdoor en door de opeenvolging van bepaalde sedimenten in de bodem van de depressie kan worden geconcludeerd dat deze depressie een pingoruïne is!

Bijzonder is dat het dekzand aan de westzijde dikker aanwezig is dan aan de oostzijde. Dit past goed in het plaatje dat de overheersende windrichting uit het westen kwam in die periode.

Zo kon het meegevoerde zand bezinken in de luwte van de helling. Het Peelo zand ligt met name aan de noordoost kan vrijwel meteen aan het oppervlak.

De doorsnede of het profiel van locatie 1981, gebaseerd op de beschreven boringen. Fel geel is dekzand (Weichselien), oranje zijn grove smeltwaterzanden (Saalien) , grijs is keileem (Saalien) en lig geen zijn de zogenaamde Peelozanden uit het Elsterien. Deze bevatten vaak glimmertjes. Het dunne bruine toplaagje is de recente strooisellaag (interpretatie door Anja Verbers).